4580-augustus! jawel!
Ik ben voorbestemd om de nieuwe keizer van het nieuwe imperium te worden. Ik ben de reïncarnatie van Keizer Augustus.
Ik zal het universum laten zien dat ik een dergelijke taak waardig ben.
Eindelijk is het zo ver!
421 oktober: gezongen boodschap
Ik kan mezelf niet vinden, en de reden dat ben jij……..
Wat? Aha! Ik zal mezelf vinden door háár.
Ik moet haar meenemen dus….. Zij zal mij vergezellen….. Zij moet de moeder worden van mijn nageslacht. Desnoods met geweld.
Wat voorbestemd is zal niet wijken. Ik moet gehoorzamen. Ik zal het grote rijk gaan ontwikkelen. Ik ben de redder der wereld. IK BEN DE REDDER
42 oktober: de tijd is daar!
De tijd is daar!
De dag van de waarheid is nabij. Ik voel het. Er zitten liedjes in mijn hoofd die het duidelijk maken. Verder krijg ik tekens van de media: Zo is er de Omroep MAX.
Op TV is er het programma “De wereld draait door”.
Dat is voor mij meest duidelijke signaal! Als ik niet ingrijp zal de wereld echt doordraaien, echt gek worden! Ik moet mij haasten.
De radio gaf zelfs al een waarschuwing: vorst aan de grond, hoorde ik zeggen.
Ik moet mij snel openbaren. Ik ga mij voorbereiden op mijn taak!
34 oktober: Aanwijzingen
Mijn moeder heeft mij zolang ik me kan herinneren signalen gegeven. Niet daadwerkelijk, maar zonder woorden. Ik heb het, zolang ik me kan herinneren, gezien aan haar gedrag. Ik was altijd bezig met observeren, bespieden eigenlijk, dat is een betere benaming. Ik achtervolgde haar. Zolang als ik me kan herinneren ben ik als een schaduw achter haar aan geslopen.
Ook als ze zich onbespied waande, dan was ik ongemerkt in haar nabijheid. Ze heeft het nooit geweten. Ongetwijfeld voelde ze zich wel eens ongemakkelijk, maar dat het door mijn altijddurende aanwezigheid was heeft ze nooit kunnen doorgronden. Ja, mijn moeder moest mij het teken uiteindelijke teken geven. Ik voelde dat er een reden moest zijn, mijn intuïtie gaf me dit in. Deze gedachten werden bovendien door de stemmen bevestigd.
Ik kreeg een voorkeursbehandeling. Ik was haar lieveling, haar schat, haar kostbaarste bezit. Dat had zijn redenen, al wist ik toen nog niet welke dat waren. Verder waren mijn twee zussen altijd met me in de weer. Ik was een echt nakomertje. Vanaf het allereerste begin werd ik op mijn wenken bediend. Ik hoefde maar te kikken of ze stonden voor me klaar, allemaal. Ik wist hier feilloos gebruik van te maken, zo jong als ik was. Dat getuigt natuurlijk al van mijn herkomst, mijn voorbestemming, mijn uiteindelijke doel.
Vanaf mijn vroegste jeugd keken de mensen naar mij. Waarschijnlijk omdat ik zo anders was, zo opvallend anders dan gewone mensen. Ik moest alleen nog ontdekken wie ik werkelijk was
Er zijn wel een aantal jaren overheen gegaan. Achteraf denk ik dat ik eerst een onbezonnen jeugd mocht hebben, voor mijn bestemming aan mij werd geopenbaard.
Toen ik mijn moeder hoorde zeggen dat ze altijd zo uitkeek naar de zomer, naar augustus, de periode dat we altijd naar Italië gingen, toen begon ik het al te vermoeden! Ik was toen 15 jaar oud.
30 oktober: Herinneringen – deel 7-
Men had mij gevonden via Interpol, vertelde mijn advocaat. Augustinus was mijn naam. Men had mijn foto’s herkend, de vingerafdrukken waren identiek aan de afdrukken die gevonden waren op de plaats van de misdaad.
De identificatie had wel even geduurd. De Italiaanse politie was er in eerste instantie van uitgegaan dat ik een Amerikaan of Engelsman was, omdat ik zo vanzelfsprekend en uitstekend Engels had gesproken.
Max Augustinus, geen August Maximus, had mijn advocaat mij verteld. Geen Amerikaan maar een Nederlander. Wie die naam in het luciferboekje had geschreven, bleef een raadsel. Hoe dat luciferboekje in mijn zak kwam, hoe ik in Rome was gekomen, bleef ook een raadsel.
Dat ik een misdadiger was, was voor de politie een feit en voor mij een bizarre mededeling. Ik kon het in eerste instantie niet geloven. Men verwarde mij met iemand anders, er moest een vergissing in het spel mijn, iemand wilde mij er in luizen….
Het leek echter waar te zijn.
Men was inmiddels druk bezig te onderzoeken hoe de ware toedracht was geweest.
Max Augustinus, een naam voor iemand die het gevoel had pas een week te bestaan. Ik was inderdaad een nieuwe man geweest. Maximaal nieuw. En nu, na een week, had ik weer een nieuwe identiteit, die tegelijkertijd mijn oude was. Alhoewel, eerst was ik vrij man geweest en nu een crimineel.
En nog steeds kwam er geen enkele herinnering boven.
25 oktober: Herinneringen – deel 6-
En op dezelfde dag dat ik me realiseerde dat er toch ooit verandering in deze situatie moest komen, kwamen ze mij halen.
Het gebeurde onverwacht en zonder uitleg. In tegenstelling tot de vriendelijke en beleefde behandeling bij mijn opname werd ik nu ruw en bot behandeld. Ik werd letterlijk van mijn bed gelicht, in de boeien geslagen en als een boef naar buiten gebracht. Mensen die altijd vriendelijk gedag hadden geknikt, keken nu met schuine ogen naar mij, boos, verwijtend. Ik kon het rappe Italiaans niet volgen, maar ving wel woorden op als Amerikaan en politie.
Ik werd zonder pardon achter in een politieauto gezet en met aan iedere kant één agent volgde een snelle rit door de drukke stad. Ik vroeg waar we heen gingen, wat er aan de hand was, maar ik kreeg geen antwoord.
Weer voelde ik die angst, die ik sinds mijn nieuwe leven, nu een week geleden, zo vaak gevoeld had. En die angst verdween niet meer, die werd alleen maar sterker toen ik zag dat we de luchthaven naderden en ik werd overgeleverd aan de Nederlandse politie. Maar dat de antwoorden op mijn vragen zo bizar zouden mijn, dat had ik nooit kunnen vermoeden.
“Goedendag, meneer Augustinus, ik ben Sicco Heertjens, uw advocaat.” Ik keek verbaasd naar de jongeman die zich kwam voorstellen.
Ik begrijp dat u geen idee heeft waarom u bent overgebracht naar dit onderzoekscentrum.”
Hij gaf mij een hand.
“Ik heb het rapport uit Italië gelezen, waarin staat dat u aan geheugenverlies lijdt. Men neemt daar aan dat dit werkelijk zo is, al moet ik u zeggen dat een aantal deskundigen hier nog aan twijfelen. U zult echter grondig onderzocht worden en een aantal testen moeten ondergaan. Verder krijgt u gesprekken met een psycholoog en zal een psychiater u begeleiden omdat u nogal forse medicatie gebruikt op voorschrift van de Italiaanse artsen. Men heeft mij ingeschakeld om u op de hoogte te stellen van de feiten waarvan u verdacht wordt.”
22 oktober: Rood stoplicht
Ik rem af, omdat ik zie dat het stoplicht oranje wordt.
In mijn ooghoeken zie ik hem al staan, zijn fiets in de hand. Als ik ruim voor de streep stil sta wordt het voetgangerslicht groen. Hij gaat oversteken en ik kan hem uitgebreid bekijken.
Hij is ouder geworden, dat is duidelijk te zien. Heel behoedzaam zorgt hij er voor dat het karretje dat achter zijn fiets hangt, niet te hard van de stoeprand op de rijweg terecht komt. Het is een oude fiets, en een nog ouder fietskarretje. Met een stuk vaal-oranje touw is het karretje aan zijn bagagedrager geknoopt. Het zou een stuk sleepkabel kunnen zijn, of misschien een deel van een schommeltouw, zoiets.
Hij kijkt achterom naar de fietskar, lijkt wat te zeggen, en kijkt dan weer voor zich. Hij loopt gebogen, zijn hoofd naar beneden, het lijkt alsof hij in het chromen stuur naar zijn spiegelbeeld zoekt. Zijn haar is vet en zit strak tegen zijn hoofdhuid geplakt.
Hij ziet er belachelijk uit. Ik schaam me voor hem. Ik schaam me voor de zwarte sportbroek met de witte bies, voor de twee verschillende sokken die ik zie in zijn afgetrapte sandalen. Hij loopt krommer dan ik me herinner. Bovendien heeft hij een buikje. Dat had hij toen nog niet.
Halverwege het zebrapad kijkt hij nog eens om, naar de kar die achter zijn fiets hangt.
Even lijkt het of hij tijdens het draaien van zijn hoofd mijn kant op kijkt. Even lijkt het of hij met zijn scherpe ogen in de auto kijkt, of hij ziet dat ik achter het stuur zit. Ik vermoed dat de weerspiegeling van de hoge bomen in de ruit hem het zicht belemmert, zeker weten doe ik het niet. Dan is zijn blik weer op de weg vóór hem gericht en ik zucht van opluchting.
Waarom eigenlijk? Wat als hij mij had herkend? Niets toch? Nee, hooguit had hij zijn hand op kunnen steken als begroeting, en had ik terug kunnen zwaaien. Vervolgens had ik door kunnen rijden.
Niets aan de hand. Niets om je druk over te maken. Gewoon twee mannen die elkaar begroeten…
Toch ben ik blij dat hij mij niet zag. Ik wil hem niet meer kennen. Nooit meer!
Hij nadert de stoep en weer zie ik hem achterom kijken, naar de fietskar. Plots zie ik de oude hond. Zijn kop komt over de rand van de kar heen, en hij kijkt naar zijn baas. Ik voel een steek in mijn hart.
Dan springt mijn licht op groen. Ik trek voorzichtig op, omdat ik van opzij nog even naar de hond wil kijken. Vervolgens geef ik flink gas en scheur ik weg. Op die manier wil ik iets van vroeger van me af schudden.
Dat lukt niet. Natuurlijk lukt dat niet. Hij spookt de hele dag nog door mijn hoofd.
16 oktober: Herinneringen – deel 5-
Ik werd wakker omdat een hand mij voorzichtig op mijn schouder tikte. “Meneer Maximus, hallo, meneer Maximus?”
Ik keek in de vrolijke bruine ogen van een zeer vriendelijke en beleefde jongedame, die erg goed Engels sprak voor een Italiaanse.
“Meneer Maximus, we hebben zo eens zitten denken..”
Ik keek haar verwachtingsvol aan.
“We dachten, u moet toch ergens heen, u moet vannacht toch een bed hebben. U heeft geen geld en het lijkt er op dat u aan geheugenverlies lijdt. We hebben overleg gehad en we denken dat het wellicht een oplossing is als we u, indien u hiermee akkoord gaat natuurlijk, naar een psychiatrische kliniek brengen. Daar zijn artsen die u eventueel verder kunnen onderzoeken, u heeft dan in ieder geval een dak boven uw hoofd en wij kunnen hier gaan kijken of u als vermist bent opgegeven. Wij kunnen ook uw foto via Interpol verspreiden, en proberen zo uw identiteit te achterhalen. Wel, wat zegt u hiervan?”
Ze was even stil en ik keek haar aan.
“Ja, dat is goed.” Ik was moe, en het idee van een bed sprak mij wel aan. Bovendien werd er nu van alles voor mij geregeld, ook dat was aanlokkelijk.
Want behalve vermoeidheid voelde ik nog steeds die enorme angst door het niet weten, door dat enorme gat in mijn geheugen, waardoor het leek of mijn leven die morgen pas begonnen was. En tegen de avond was de opname in de kliniek een feit. Hoe snel kunnen dingen soms gaan.
Door de angst en de vele paniekaanvallen, de eerste al kort na de opname, hadden de artsen mij vol medicijnen gestopt. Dat had tot gevolg dat ik hele dagen versuft op bed lag, geen idee had van tijd en geen behoefte had aan contact met anderen. Overdag sliep ik veel; de nachten waren zwaar door de vele nachtmerries. Ik werd dan badend in het zweet wakker, huilend, in paniek, terwijl ik me niet kon herinneren waar ik over gedroomd had.
Daarna lag ik uren wakker, piekerend over wat mij was overkomen en zoekend naar herinneringen. Soms kwam de nachtzuster mij een glas water brengen, als ik in de stoel voor het raam zat en naar de sterren keek.
Maar een week na opname werd ik weer wat helderder. De buitenwereld drong weer een beetje bij me door, ik werd me beetje bij beetje bewust van wat er om mij heen gebeurde. Het leek alsof mijn zintuigen geprikkeld werden hun werk weer te doen. Ik voelde de koude lucht mijn longen instromen als ik voor het open raam stond. Ik hoorde geluid van schuifelende voeten van patiënten, het zingen van vogels, flarden van muziek. Opeens rook ik geuren die mij nog niet waren opgevallen sinds mijn verblijf. Ik rook de geur van natte aarde in de ochtend, de etensgeuren uit de keuken, ik rook de geur van ontsmettingsmiddel als er werd schoongemaakt.
